arrow_rightarrow_righticon_excelicon_pficon_ppticon_wordmagnifier

Programma

vrijdag 01 okt

Landelijk Congres Onvoldoende Verklaarde Lichamelijke Klachten 2021


Klik op om meer informatie te bekijken van een sessie. 

09:00

Online inloop

09:30

Welkom

Judith Rosmalen, voorzitter NOLK en Aldo Houterman, dagvoorzitter

09:40

Keynote 1: What is in a name? (plenair)

Yanda van Rood

De naamswijziging van SOLK naar ALK zou door kunnen gaan voor een cosmetische ingreep; weer een nieuwe naam voor hetzelfde. Dat is echter niet het geval. De naamswijziging is het gevolg van conceptuele veranderingen in ons denken over lichamelijke klachten. Welke naam gekozen wordt is belangrijk omdat het invloed heeft op hoe wij ons verhouden tot datgene waar de naam aan gegeven is.

In deze keynote bespreek ik hoe de verschillende namen (zoals hysterie, psychosomatisch, functioneel, somatoform, somatisch onvoldoende verklaard), die sinds de vorige eeuw zijn gehanteerd onze houding ten opzichte van de patiënten bepalen en het onderzoek richting hebben gegeven. Vervolgens kijk ik, vanuit dezelfde gedachte, naar de toekomst; wat voor effect kunnen we verwachten van het gebruik van de naam ALK voor zowel de zorg voor de patiënten als voor het wetenschappelijk onderzoek?

YANDA VAN ROOD (1959) is BIG-geregistreerd klinisch psycholoog/psychotherapeut. Zij is supervisor cognitieve gedragstherapie, EMDR-practitioner, in opleiding tot EMDR-supervisor en gecertificeerd psychotraumatherapeut. Zij heeft ruime ervaring met zowel het protocollair behandelen als het behandelen op basis van individuele casusconceptualisaties bij jongvolwassenen, volwassenen en oudere patiënten met een grote variëteit aan stoornissen en problemen. Zij heeft bijzondere expertise op het terrein van de somatisch-symptoomstoornissen, somatisch onvoldoende verklaarde klachten (SOLK)/ aanhoudende lichamelijke klachten en de rol van trauma en stress bij deze stoornissen en klachten.

Ze is actief als onderzoeker en heeft aan veel studies bijgedragen. Momenteel is ze betrokken bij meerdere onderzoeksprojecten naar de effectiviteit van EMDR als behandeling voor chronische pijn en andere aanhoudende lichamelijke klachten. Haar publicatielijst telt meer dan 90 publicaties Zij is auteur of co-auteur van 23 hoofdstukken in hand- en leerboeken en co-editor van drie boeken.

10:25

SOLK Quiz

Lineke Tak en Birgit aan de Stegge

10:45

Pauze

Gelegenheid tot digitaal bekijken van de posters en netwerken

Parallelronde 1

11:15

Workshop 1.1: Wat kunnen we leren van onze fouten, over gemiste diagnoses bij SOLK- patiënten

Peter Hilderink en Audrey van Vugt

Thema: diagnostiek

Inleiding:
Voor alle professionals betrokken bij SOLK blijft de diagnostiek moeilijk en het missen van een somatische diagnose een schrikbeeld voor zowel arts als patiënt. Het leidt vaak tot een slechtere prognose en negatieve consequenties op zowel lichamelijk, psychisch als sociaal vlak. Voorheen bestond bij de DSM IV voor de diagnose Somatoforme Stoornis het exclusiecriterium dat een klacht niet medisch verklaard mocht zijn. Met de komst van de DSM 5 is het niet langer noodzakelijk om een lichamelijke klacht verklaard of onverklaard te benoemen. De nadruk ligt nu op de aanwezigheid  van excessieve gedachten, emoties of gedragingen in relatie tot een lichamelijke klacht, ongeacht de origine van deze klacht. Wij willen echter benadrukken dat somatische diagnostiek bij patiënten met SOLK wel degelijk van belang blijft, zoals blijkt uit een aantal voorbeelden uit de klinische praktijk van ons Topklinisch Centrum voor Lichaam Geest en Gezondheid. Wij doen handreikingen hoe de somatische aandacht voor SOLK klachten voldoende te waarborgen in de klinische praktijk.

Inhoud van de workshop:
Tijdens de workshop zal op een interactieve manier aan de hand van casuïstiek worden ingegaan op de hoge complexiteit van SOLK problematiek. Er zal tevens ruimte zijn voor het inbrengen van eigen casuïstiek. Hierbij bekijken we wat we kunnen leren van gemiste diagnoses en welke factoren hierbij een belangrijke rol spelen. Uit onderzoek bij huisartsen komt naar voren dat de wijze van symptoompresentatie, het niet passen van de symptomen in een patroon passend bij een bekend ziektebeeld en symptoomattributie door de patiënt zelf de triggers zijn voor huisartsen om te denken aan SOLK. Echter, zeker bij minder vaak voorkomende ziektebeelden is het patroon van bijbehorende klachten niet altijd bekend bij artsen. Ook zijn er verschillen per patiënt hoe wordt omgegaan met de ervaren klachten en symptomen. Dit maakt dat de genoemde triggers niet altijd betrouwbaar zijn. Tijdens de workshop wordt U uitgenodigd mee te denken in het diagnostisch proces en oog te hebben voor valkuilen die hierbij aanwezig zijn. We willen u bewust maken van het belang  om ook oog te houden voor somatische factoren die een rol kunnen spelen bij SOLK patiënten van alle leeftijden. Dit wordt in de workshop ondersteund door een stappenplan dat gebruikt kan worden om te toetsen of er mogelijk valkuilen zijn in de interpretatie van de klachten gepresenteerd door een patiënt.

Referenties

  1. Eikelboom, E., Tak, L., Roest, A., Rosmalen, J.(2016).  A systematic review and meta-analysis of the percentage of revised diagnoses in functional somatic symptoms, Journal of Psychosomatic Research Volume 88, September, Pages 60-67
  2. Stone J, Carson A, Duncan R, Coleman R, Roberts R, Warlow C, Hibberd C, Murray G, Cull R, Pelosi A, Cavanagh J, Matthews K, Goldbeck R, Smyth R, Walker J, Macmahon AD, Sharpe M. (2009). Symptoms ‘unexplained by organic disease’ in 1144 new neurology out-patients: how often does the diagnosis change at follow-up? Brain. 2009 Oct;132(Pt 10):2878-88. doi: 10.1093/brain/awp220.
  3. van Eck van der Sluijs J, de Vroege L, van Manen A, Rijnders C, van der Feltz-Cornelis CM. (2017).  Complexity Assessed by the INTERMED in Patients With Somatic  Symptom Disorder Visiting a Specialized Outpatient Mental Health Care Setting: A Cross-sectional Study. Psychosomatics.  Jul-Aug;58(4):427-436
  4. Houwen J, Lucassen PL, Dongelmans S, Stappers HW, Assendelft WJ, van Dulmen S, Olde Hartman TC. (2020) Medically unexplained symptoms: time to and triggers for diagnosis in primary care consultations. Br J Gen Pract. Jan 30;70(691):e86-e94.

11:15

Workshop 1.2: Wat vertelt het lichaam - bij patiënt èn hulpverlener? Lichaamsgericht mentaliseren in de praktijk

Stanneke Lunter

Thema: behandeling

Inleiding:
Mensen met aanhoudende lichamelijke klachten hebben vaak moeite om (de betekenis van) lichaamssignalen en/of emoties en gedachten te herkennen en deze met elkaar in verband te brengen. Het lichaamsgericht mentaliseren geeft handvatten voor bewustwording, herkenning, betekenisverlening en hantering van innerlijke ervaringen en lichamelijke gewaarwordingen. In deze methodiek staat de therapeut ook stil bij de eigen lichaamssignalen en innerlijke ervaringen in het contact met de patiënt. Deze worden vervolgens expliciet benut in de therapeutische relatie door de eigen waarneming en beleving te benoemen en van daaruit samen met de patiënt te zoeken naar herkenning, verwoording en betekenisverlening van diens ervaringen.

Het lichaamsgericht mentaliseren is als methodiek ontwikkeld voor de behandeling van patiënten met aanhoudende lichamelijke klachten en kan ook worden toegepast bij andere problematiek zoals persoonlijkheidsproblematiek, angst- en stemmingsstoornissen, eetstoornissen of burn-out. De methodiek wordt genoemd in de Zorgstandaard SOLK. Eind 2020 verscheen het boek ‘Lichaamsgericht mentaliseren – Gids voor de klinische praktijk’ door Jaap Spaans.

Inhoud workshop:
Tijdens de interactieve workshop zult u als deelnemer stilstaan bij uw eigen ervaringen in het contact met uw patiënten, de betekenis van deze ervaringen en het benutten ervan in de therapeutische relatie. Aan de hand van een casus leert u  de verschillende modi van het (niet-)mentaliseren kennen, oefent u met het herkennen van gevoelens, gedachten en lichaamssignalen bij u zelf en bij de ander en krijgt u handvatten voor het verwoorden en hanteren hiervan.

Gegevens workshopleider:
Stanneke Lunter is psychiater bij Altrecht Psychosomatiek Eikenboom in Zeist en daarnaast bestuurslid bij NOLK en bij PA!N: de Pijn Alliantie In Nederland (PA!N). Zij werkte onder meer mee aan het boek ‘Lichaamsgericht mentaliseren – gids voor de klinische praktijk’ van Jaap Spaans.

Relevante literatuur

  1. Spaans, J. (2020). Lichaamsgericht mentaliseren – Gids voor de klinische praktijk. Amsterdam, Nederland: LannooCampus.

11:15

Workshop 1.3: Systemisch werken bij SOLK: weggelegd voor iedere zorgverlener?

Lineke Tak en Frank Kempen

Thema: behandeling

‘No man is an island entire of itself’: De verhouding tot partner of het gezin kan een instandhoudende factor vormen bij SOLK. Er kunnen expliciete relatieproblemen spelen, maar ook meer subtiele instandhoudende dynamieken. In de Zorgstandaard SOLK (2018) en het Handboek SOLK (2019) worden relatiegesprekken of gezinsgesprekken geadviseerd als mogelijke interventie bij SOLK. Ook al zijn er enige aanwijzingen voor effectiviteit van systemische interventies (Schade e.a., 2011; Pinquart e.a. 2016), er is weinig informatie over specifieke aandachtspunten bij systemische interventies bij patiënten met SOLK en hun naasten.

In deze workshop beogen we een eerste handreiking te bieden: een systeemtherapeut vertelt aan de hand van casuïstiek over zijn klinische ervaring met patiënten met ernstige SOLK en hun naasten, waarvan ook eerstelijns zorgverleners zouden kunnen profiteren in hun dagelijks werk.

Eerst wordt stilgestaan bij hoe een systeemgesprek vorm te geven. De lichamelijke klacht is namelijk niet het startpunt in een systeemgesprek, maar wordt erbij betrokken indien deze invloed heeft op de verbinding tussen gezinsleden. Hierbij zijn degene met SOLK en de naaste zonder SOLK even belangrijk om te werken aan veranderingen. Het is belangrijk te realiseren dat, anders dan interventies gericht op doorbreken van instandhoudende factoren en zo het verminderen van een lichamelijke klacht, systeemgesprekken soms primair een ander effect kunnen hebben dan men aanvankelijk dacht (bijvoorbeeld een beëindiging van een relatie).

Vervolgens wordt ingegaan op inhoud van systeemgesprekken. Specifieke thema’s die systemisch bij SOLK vaak relevant zijn: schuld en schaamte, partnerkeuze en specifieke rollenpatronen, ervaringen met lijfelijkheid en ziekte in opvoeding, seksualiteit en zingeving. Met polls wordt het publiek betrokken om te onderzoeken of en hoe zij naar deze thema’s vragen en kan casuïstiek ingebracht worden. Mogelijke systeemtherapeutische interventies gericht op deze thema’s worden besproken.

Tot slot zal er met de deelnemers een discussie plaatsvinden: kan alleen een systeemtherapeut dergelijke systeeminterventies doen, of zouden deze interventies ook vaker moeten plaatsvinden bij individuele behandelaars en/of in de eerstelijn – bijvoorbeeld psycholoog, (psychosomatisch) fysiotherapeut, poh- ggz of huisarts?

Na deze workshop hopen we dat men zich geïnspireerd voelt om door te vragen over verbindingen in een gezin of in een relatie.

Relevante Literatuur

  1. A. Spaans, J. van Rosmalen, Y. van Rood, H.E. van der Horst, & S. Visser (red.). (2017). Handboek behandeling van somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten. Houten: Lannoo Campus.
  2. Zorgstandaard somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK), Akwa ggz, 2018. Geraadpleegd op www.ggzstandaarden.nl/zorgstandaarden/somatisch-onvoldoende-verklaarde-lichamelijke-klachten-solk
  3. Pinquart M, Oslejsek B, Teubert D. Efficacy of systemic therapy on adults with mental disorders: A meta-analysis. Psychotherapy Research, 2016;26(2):241-57.
  4. Schade N, Torres P, Beyebach M. Cost-efficiency of a brief family intervention for somatoform patients in primary care. Families, Systems, & Health, 2011, 29(3), 197–205.

Gegevens workshopleiders:

Lineke Tak is psychiater bij het Specialistisch Centrum SOLK & Somatisch-symptoomstoornissen (SCS&S), Dimence, Deventer. Daarnaast is zij bestuurslid bij NOLK en mede vanuit die positie benieuwd naar ervaren kennislacunes.

Frank Kempen is systeemtherapeut bij het Specialistisch Centrum SOLK & Somatisch-symptoomstoornissen (SCS&S), Dimence, Deventer. Hij ervoer bij de aanvang van deze functie dat er weinig specifieke systeemtherapeutische kennis beschikbaar is t.a.v. SOLK.

11:15

Workshop 1.4: Functionele bewegingsstoornissen, nieuwe inzichten in de pathofysiologie, diagnostiek en behandeling

Jeannette Gelauff

Thema: conversie

Op het gebied van functionele bewegingsstoornissen is de afgelopen jaren veel veranderd. Naar aanleiding van wetenschappelijk onderzoek zijn er nieuwe inzichten in het mechanisme wat ten grondslag ligt aan de klachten en mede daardoor is er veel veranderd in de diagnostiek en de behandeling van functionele stoornissen. Zo is het voor de diagnose niet meer noodzakelijk om een psychiatrische/psychologische stressor te identificeren, maar zijn er positieve aanwijzingen in de anamnese en het neurologische onderzoek nodig.

Daarnaast is de behandeling zowel gericht op lichamelijk gerichte therapie als op psychologische therapie. In die therapie moet ook ruimte zijn voor een goede uitleg van de diagnose door de neuroloog.

Tijdens deze workshop zal worden ingegaan op de nieuwste inzichten in het mechanisme, de diagnostiek en behandeling van functionele bewegingsstoornissen. Daarnaast zal er ruimte zijn voor discussie en oefening van de beste uitleg aan de patiënt, over de rol van verschillende disciplines in de behandeling van functionele bewegingsstoornissen en over de overlap met andere SOLK-syndromen. De workshop bestaat uit een voordracht van de workshopleider, met oa (video)casuïstiek, in combinatie met discussie in kleinere groepjes.

Gegevens workshopleider:

Jeannette Gelauff, arts in opleiding tot neuroloog aan het Amsterdam Universitair Medisch Centrum, locatie VUMC, gepromoveerd in oktober 2020 op het gebied van de functionele bewegingsstoornissen.

Relevante Literatuur

  1. Stone J. Functional neurological disorders: the neurological assessment as treatment. Pract Neurol 2016 Feb;16(1):7-17. doi: 10.1136/practneurol-2015-001241. Epub 2015 Dec 29.
  2. Stone J, Burton C, Carson A. Recognising and explaining functional neurological disorder. BMJ 2020; 371 doi: https://doi.org/10.1136/bmj.m3745
  3. Drane D, Fani N, Hallett M, Khalsa SS, Perez DL Robers AR. A framework for understanding the pathophysiology of functional neurological disorder. CNS Spectr . 2020 Sep 4;1-7.doi: 10.1017/S1092852920001789.
  4. Edwards MJ. Functional neurological symptoms: welcome to the new normal. Pract Neurol . 2016 Feb;16(1):2-3. doi: 10.1136/practneurol-2015-001310.

11:15

Workshop 1.5: Implementatie van Samen Beslissen bij patienten met SOLK: de hobbelige weg van theorie naar praktijk

Annette Boenink, Iris Keuning en Camille ten Velden

Thema: organisatie

Het stimuleren van gezamenlijke besluitvorming (shared decision making of “Samen Beslissen”) is een belangrijk thema binnen de GGZ en de zorgstandaard SOLK. Het is niet meer vrijblijvend: sinds 2020 is deze werkwijze opgenomen in de WGBO.  Het daadwerkelijk implementeren van Samen Beslissen blijkt echter niet zo eenvoudig. Het vraagt om een andere houding van hulpverleners, namelijk geloven dat patiënten die meebeslissen vaak een weloverwogen en verstandige keuze maken (‘loslaten’) en ook accepteren dat de patiënt een andere keuze kan maken dan jouw voorkeurskeuze. Het vraagt om de vaardigheid om veel breder te denken over keuzes en hierover vanuit gelijkwaardigheid een gesprek aan te gaan met de patiënt. Ook van de patiënt wordt iets gevraagd dat nieuw en onbekend is – o.a. wensen en doelen duidelijk inbrengen, vertrouwen hebben in eigen kunnen en risico’s nemen.  Samen Beslissen vraagt echt om een cultuuromslag.

Het Centrum voor Soma & Psyche van Amsterdam UMC locatie VUmc participeert samen met 7 GGZ instellingen in een project, gefinancierd door het Zorginstituut, om het Samen Beslissen systematisch te implementeren en te evalueren zodat geleerd kan worden van de implementatie. Uit eerder onderzoek is namelijk gebleken dat het “Samen Beslissen” dat behandelaars meenden toe te passen door patiënten niet altijd zo wordt gepercipieerd.

Tijdens dit project  wordt een kwalitatieve evaluatie uitgevoerd met interviews en een focusgroep, en een kwantitatieve evaluatie met vragenlijsten. Volwassen patiënten met SOLK en/of somatisch-psychiatrische comorbiditeit zien vaak meerdere artsen en hulpverleners. Door expliciet samen te beslissen en dat ook vast te leggen en te communiceren komt er meer helderheid over het traject dat wordt gekozen. Gevolg van het  systematisch toepassen van een Samen Beslissen gespreksmodel is dat patiënten volledig  ‘meegenomen’ worden in de besluitenvorming. Dit kan ervoor zorgen dat patiënten minder snel afhaken bij een behandeling en/of meer tevreden zijn over de behandeling. Bovendien zouden bepaalde behandeldoelen beter behaald kunnen worden als patiënten  samen met de behandelaar behandelbesluiten nemen. Dit kan leiden tot betere behandelresultaten.

Tijdens het deelproject dat uitgevoerd wordt in Amsterdam UMC / VUmc wordt onderzocht of de te verwachten positieve resultaten inderdaad behaald kunnen worden ook voor de doelgroep SOLK. Wij onderzoeken welke onderdelen van de implementatiestrategie het meest van belang zijn.

Tijdens de workshop verkrijgen deelnemers door middel van interactieve presentaties en discussie / rollenspel:

  • kennis en inzicht over het niveau van implementatie van Samen Beslissen op hun eigen afdeling
  • kennis en inzicht in belemmerende en bevorderende factoren en concrete stappen die een team kan nemen om het Samen Beslissen naar een hoger niveau te brengen
  • praktische vaardigheid in het toepassen van het Samen Beslissen gespreksmodel in de spreekkamer

Literatuur

  1. Metz, M. J., Veerbeek, M. A., Elfeddali, I., De Beurs, E., Van Der Feltz-Cornelis, C. M., & Beekman, A. T. (2019). Samen beslissen in de ggz; onderzoek naar toegevoegde waarde voor patiënten en behandelaars. Tijdschrift voor Psychiatrie, 61(7), 487-497. https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/assets/articles/61-2019-7-artikel-metz.pdf
  2. Stiggelbout, A. M., Pieterse, A. H., & De Haes, J. C. (2015). Shared decision making: concepts, evidence, and practice. Patient education and counseling, 98(10), 1172-1179. https://doi.org/10.1016/j.pec.2015.06.022
  3. Elwyn, G., Durand, M. A., Song, J., Aarts, J., Barr, P. J., Berger, Z., … & Van der Weijden, T. (2017). A three-talk model for shared decision making: multistage consultation process. bmj, 359. doi: https://doi.org/10.1136/bmj.j4891

Gegevens workshopleiders

Annette Boenink, psychiater, hoofd ziekenhuispsychiatrie, projectleider deelproject Samen Beslissen Amsterdam UMC, locatie VUmc

Iris Keuning, psychiater Centrum voor Soma & Psyche, projectcoördinator deelproject Samen Beslissen Amsterdam UMC, locatie VUmc

Camille ten Velden, projectmedewerker deelproject Samen Beslissen, Amsterdam UMC, locatie VUmc

11:15

Workshop 1.6: SOLK in romans

Arko Oderwald

Thema: taal

Deze workshop is bedoeld voor hulpverleners die in de praktijk te maken hebben met patiënten met SOLK en heeft als doel het bestaan van SOLK en de antwoorden van hulpverleners daarop te doordenken. En we doen dat door twee romans te bespreken.

Ook in romans wordt er aandacht besteed aan SOLK en hoe daarmee om wordt gegaan. Kunnen we daarvan iets leren? Of kunnen we meer inzicht in de problematiek krijgen door het lezen van deze romans? Romans zijn uiteraard geen wetenschap, maar doen vaak wel een poging om in het bijzondere iets  universeels te ontdekken.

Voor deze workshop is gekozen om twee romans te bespreken die over dezelfde persoon gaan: Frans Anton Mesmer, een arts uit de 18e en 19e eeuw, die bekend is geworden door zijn experimenten met magnetisme. Het interessante van de twee romans is dat ze duidelijk een andere standpunt innemen over Mesmer. De twee romans zijn:

  • Per Olov Enquist: De vijfde winter van de magnetiseur
  • Alissa Walser: Nachtmuziek

Wat gaan we doen tijdens de workshop?

Van de deelnemers wordt verwacht dat ze een van de romans hebben gelezen. Er van uitgaande dat we dan deelnemers hebben die elkaar wat kunnen vertellen over de roman die zij gelezen hebben, krijgen we inzicht in de inhoud van beide romans en kunnen we zo tot een beeld komen wat patiënten en hulpverleners beweegt als klachten niet kunnen worden geduid. De workshopleider zal ook op een geëigend moment feitelijke informatie inbrengen over beide auteurs en over Mesmer en zijn magnetistische opvattingen. Zo hopen we de vele kanten van het SOLK vraagstuk in kaart te kunnen brengen, en ook een klein stukje geschiedenis er aan te verbinden.

Als U niet van het lezen van romans houdt is dit waarschijnlijk geen geschikte workshop voor u: het is de bedoeling dat u in ieder geval één roman leest. Beide romans zijn in het Nederlands vertaald, maar mocht U geen exemplaar kunnen vinden dan kan er een pdf ter beschikking worden gesteld. Als u de romans niet wilt lezen kunt u wel meedoen aan de workshop, maar tijdens de workshop wordt daar geen rekening mee gehouden.

Gegevens workshopleider
Workshopleider is dr. Arko Oderwald, coördinator van het Literatuur en Geneeskundeprogramma van het AmsterdamUMC. Hij heeft vele cursussen en workshops gegeven over ‘medische’ romans en redigeert elk jaar een essayboek over een specifiek onderwerp in het gebied van literatuur en geneeskunde.

11:15

Symposium 1.7: De nieuwe generatie

Jonna van Eck van der Sluis, Kim Hijne, Renee van Hoek en Kristel Weerdesteijn

Thema: onderzoek

In de maatschappij en klinische praktijk staan enthousiaste academische professionals klaar om invulling te geven aan onderzoek en klinisch werk bij mensen met aanhoudende lichamelijke symptomen. Waar in het verleden de aandacht vooral lag op kwetsbaarheden en wat mensen niet kunnen, legt deze generatie ook nadruk op veerkracht en wat mensen wel kunnen. Bovendien is er aandacht voor een meer individu-gestuurde benadering die ervan uitgaat dat iets dat werkt voor één persoon nog niet hoeft te werken voor andere personen. In dit symposium wordt recent werk gepresenteerd door drie academische professionals die zowel in de praktijk als in onderzoek actief zijn, waarna een discussie zal plaatsvinden aan de hand van stellingen.

De eerste presentatie betreft onderzoek naar ‘individuele behandeldoelen en factoren die het behalen van doelen beïnvloeden in patiënten met een somatisch-symptoomstoornis’. Meta-analyses laten zien dat psychologische behandeling gunstig is voor patiënten met een somatisch-symptoomstoornis, maar dat effecten niet groot zijn. Het zou kunnen dat behandeleffecten worden onderschat, omdat vooral generieke uitkomstmaten worden gebruikt die onvoldoende een reflectie geven van de individuele doelen die nagestreefd worden in de behandeling. Om dit verder te onderzoeken bracht Kim Hijne bij behandelaars in beeld brengen wat individuele behandeldoelen kunnen zijn en welke factoren het behalen van doelen beïnvloeden. Het onderzoek werd uitgevoerd samen met collega’s van NOLK. Het met concept-mapping verkregen omvangrijke en gestructureerde overzicht kan in de klinische praktijk worden gebruikt om in gedeelde besluitvorming behandeldoelen op te stellen en voor meting van het effect van therapie. In een vervolgonderzoek wordt dit ook in beeld gebracht bij patiënten met een somatisch-symptoomstoornis.

De tweede presentatie betreft onderzoek naar ‘psychologische flexibiliteit bij mensen met aanhoudende lichamelijke symptomen’. Psychologische flexibiliteit, een kernconstruct uit de Acceptance and Commitment Therapy (ACT), verwijst naar de vaardigheid om soepel om te gaan met problemen en het leven op een waardevolle manier te kunnen invullen. Renée van Hoek analyseerde psychologische flexibiliteit bij 429 mensen met aanhoudende lichamelijke symptomen. Ze gebruikte de flexibiliteitsindex test (FIT-60, Batink et al., 2012), die alle zes processen van psychologische flexibiliteit meet. Ze onderzocht welke aspecten van psychologische flexibiliteit een buffer vormen tegen de samenhang tussen de ernst van lichamelijke symptomen en verminderd welbevinden.

De derde presentatie gaat over prognostische factoren van terugkeer of behoud van werk na geheel of gedeeltelijk langdurig verzuim. Werk kan een positieve invloed kan hebben op de gemoedstoestand. Desondanks hebben veel mensen met chronische klachten moeite om terug te keren naar werk of om aan het werk te blijven. Om ze beter te ondersteunen in de re-integratie naar werk is het belangrijk om te weten welke factoren hier een rol in spelen. Kristel Weerdesteijn onderzocht welke factoren terugkeer naar werk voorspelden bij 2593 mensen met en zonder somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK). Ze onderzocht factoren die wel en niet met lichamelijke gezondheid samenhangen. Tot deze laatste groep behoren factoren zoals het hebben van een uitkering, de eigen verwachting over terugkeer naar werk, mentale gezondheid en coping-strategieën.

Het symposium zal worden afgesloten met een discussie aan de hand van stellingen waarop gestemd kan worden via de smartphone of computer. De discussie wordt ingeleid door Rinie Geenen.

Voorzitter: Dr. Jonna van Eck van der Sluijs (psychiater, Altrecht Psychosomatiek Eikenboom)

Discussant: Prof.dr. Rinie Geenen (psycholoog, Universiteit Utrecht en Altrecht Psychosomatiek Eikenboom)

Sprekers:
Kim Hijne, GZ-psycholoog in opleiding en promovenda, is werkzaam bij Altrecht Psychosomatiek Eikenboom en de Universiteit Utrecht.

Renée van Hoek, bijna afgestudeerd in de klinische psychologie bij de Universiteit Utrecht, loopt stage bij Altrecht Psychosomatiek Eikenboom.

Kristel Weerdesteijn, verzekeringsgeneeskundige en promovenda, is werkzaam bij het UWV en bij het Amsterdam UMC.

12:45

Pauze

Gelegenheid tot digitaal bekijken van de posters en netwerken

Parallelronde 2

13:45

Workshop 2.1: De overlap tussen FNS, depressie en katatonie

Sonja Rutten en Didi Rhebergen

Thema: diagnostiek

De functioneel-neurologisch symptoomstoornis (FNS, ook wel bekend als conversiestoornis) is een veelvoorkomende aandoening; bijna één op de vijf nieuwe patiënten op een polikliniek neurologie wordt gediagnosticeerd met functionele klachten. FNS patiënten vormen een zeer heterogene groep: niet alleen de aard van de klachten, maar ook de bijdrage van de diverse biologische, psychologische en sociaal-maatschappelijke factoren wisselt sterk tussen individuele FNS-patiënten. Daarnaast is er ook een groep patiënten waarbij twijfel bestaat over de diagnose: wanneer passen de neurologische symptomen bij FNS, en wanneer zijn deze beter te duiden als symptomen van een melancholische depressie of katatonie? Dit onderscheid is van belang voor de behandeling: waar FNS-patiënten gebaat kunnen zijn bij behandeling met fysiotherapie of psychotherapie, zijn deze behandelingen vaak onvoldoende effectief bij patiënten met een melancholische depressie of katatonie. Voor hen moet medicatie of niet-invasieve hersenstimulatie overwogen worden.

In deze workshop krijgt u handvatten voor de differentiaaldiagnostiek van FNS, depressie en katatonie. Daarnaast zullen wij discussiëren over de optie van niet-invasieve hersenstimulatie (rTMS en ECT) voor deze groep patiënten.

De workshop begint met een korte presentatie over de overeenkomsten tussen FNS, depressie en katatonie, de actuele kennis over de etiologie van FNS, en de rationale voor hersenstimulatie bij deze groep patiënten. Hierna demonstreren wij het gebruik van CORE en de Bush Francis Catatonia Rating Scale. Deze meetinstrumenten voor respectievelijk melancholische depressie en katatonie helpen bij het vastleggen van specifieke symptomen. Vervolgens zult u zelf oefenen met afname van deze lijsten naar aanleiding van videomateriaal van patiënten met functionele neurologische symptomen. We eindigen de workshop met een discussie over de toepassing van niet-invasieve hersenstimulatie bij patiënten met functioneel neurologische symptomen, al dan niet met een co-morbide depressieve stoornis.

Na deelname bent u beter in staat om de differentiaaldiagnostiek van FNS te verrichten en specifieke symptomen vast te leggen met behulp van meetinstrumenten, en heeft u een beter beeld van de voors en tegens van hersenstimulatie voor FNS.

Relevante Literatuur:

  1. Zorgstandaard Conversiestoornis: https://www.ggzstandaarden.nl/zorgstandaarden/conversiestoornis
  2. Overzichtsartikel Katatonie: https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/assets/articles/articles_1373pdf.pdf
  3. De CORE: https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/meetinstrumenten/139

Gegevens workshopleiders:

Sonja Rutten is psychiater en onderzoeker bij de poli SOLK en poli Neuropsychiatrie van Amsterdam UMC, locatie VUmc.

Didi Rhebergen is psychiater en plaatsvervangend A-opleider bij GGZ Centraal. Didi is gepromoveerd op het onderwerp ‘heterogeniteit van depressieve stoornissen’ en heeft klinische ervaring met de toepassing van electroconvulsie therapie bij patiënten met functioneel neurologische symptomen.

13:45

Workshop 2.2: Langdurige vermoeidheid: expertise en ervaring, theorie en praktijk

Carine den Boer en Annemarieke Fleming

Thema: behandeling

Populatie: volwassenen met langdurige vermoeidheid

Belang onderwerp: langdurige vermoeidheid komt meer dan ooit voor en zorgt naast lijdenslast vaak voor arbeidsverzuim en andere hoge maatschappelijke kosten. Jaarlijks komen er in ons land circa 38.000 mensen bij met langdurige vermoeidheid na kanker. (1)  De prevalentie van het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) wordt geschat op minimaal 0,2 % van de populatie, d.w.z. 27.000 volwassenen. (2)  Ook bij wijdverspreide pijn / fibromyalgie is vermoeidheid een veelvoorkomende, zeer hardnekkige klacht, namelijk bij 76% van de patiënten. (3)  Prevalentiecijfers van post-COVID vermoeidheid zijn nog onvoldoende bekend maar lijken weinig rooskleurig.

Uitdaging van doelgroep: er is veel controverse over de aanpak van langdurige vermoeidheid. In 2013 verscheen een richtlijn over chronische vermoeidheid. (4) Vanwege de controverse hierover heeft de gezondheidsraad in 2018 een nieuw advies geschreven over ME/CVS. (5) Er is een richtlijn voor vermoeidheid na Q-koorts, het Q-koorts vermoeidheidssyndroom (QVS). (6) Voor de huisartsen zijn er geen specifieke richtlijnen over vermoeidheid beschikbaar. Wel is er een NHG-Standaard over SOLK en is er een Zorgstandaard SOLK. (7,8)

Aanleiding workshop: de COVID-19 zorgt voor een grote toename aan patiënten met langdurige vermoeidheid.

Annemarieke en Carine hebben beiden ervaring met langdurige klachten na een COVID-19 infectie.

Inhoud workshop:  Na deze workshop, waarin ervaringsdeskundigheid en professionele deskundigheid geïntegreerd zijn, begrijpt u beter de fysiologische achtergrond van langdurige vermoeidheid en hebt u handvatten om patiënten met langdurige vermoeidheid te begeleiden. We gaan in op de rol van het immuunsysteem, het stresshormoon systeem, het autonome zenuwstelsel en centrale sensitisatie. We discussiëren samen over wat bekend is over de aanpak van langdurige vermoeidheid en graded activity, CGT, pacing, of dat er toch iets anders nodig is. Nadat u van informatie bent voorzien zult u in kleinere groepjes ook uw eigen vragen en ervaringen kunnen delen.

Gegevens workshopleiders

Carine den Boer, huisarts, kaderhuisarts GGZ, promovendus Amsterdam UMC

Promotieonderwerp: de rol van centrale sensitisatie bij chronische pijn en aanhoudende lichamelijke klachten

Auteur zorgstandaard SOLK. Carine den Boer werkt mee aan een richtlijn over nazorg van COVID-19.

Annemarieke Fleming, Gezondheidszorgpsycholoog BIG bij cluster Pijn & Gedrag van Reade Revalidatie, hoofddocent psyche & soma en jaargroep opleider bij GZ-opleiding RINO Amsterdam.

Annemarieke Fleming werkt momenteel aan een boek in begrijpelijke taal voor cliënten,  over de behandeling van vermoeidheid bij chronische ziekten, post-COVID en na kanker (uitgeverij Nieuw Amsterdam).

Referenties:

  1. Jennifer M Jones et al. Cancer-related fatigue and associated disability in post-treatment cancer survivors. J Cancer Surviv. 2016 Feb;10(1):51-61.
  2. Nacul LC et al. Prevalence of myalgic encephalomyelitis/chronic fatigue syndrome (ME/CFS) in three regions of England: a repeated cross-sectional study in primary care. BMC Med 2011 Jul 28; 9: 91.
  3. Vincent, A., Benzo, R.P., Whipple, M.O. et al. Beyond pain in fibromyalgia: insights into the symptom of fatigue. Arthritis Res Ther 15, 221 (2013).
  4. Richtlijn diagnose, behandeling, begeleiding en beoordeling van patiënten met het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS), CBO, februari 2013
  5. Rapport Gezondheidsraad, ME/CVS, Nr. 2018/07, Den Haag 19 maart 2018
  6. Multidisciplinaire LCI-richtlijn Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS), RIVM, 1 juli 2019
  7. NHG-Standaard SOLK, mei 2013
  8. Zorgstandaard SOLK, AKWA GGZ, mei 2019

13:45

Workshop 2.3: CRT en PMT als aanvulling voor CGT; leren onthouden, toepassen en voelen: route naar herstel

Lars de Vroege, Gabriela Sempertegui Vallejo en Marjon Witmer

Thema: behandeling

Het werken met volwassenen met een somatisch-symptoomstoornis of verwante stoornissen (SSRD) wordt vaak als complex ervaren en kan om een multidisciplinaire en innovatieve aanpak vragen. Uit onderzoek is gebleken dat in deze patiëntenpopulatie neurocognitief disfunctioneren op verschillende domeinen een veel voorkomend probleem is (De Vroege et al., 2018). Geheugenproblemen of problemen met de informatieverwerking kunnen het toepassen van cognitieve gedragstherapie of andere behandelingen bemoeilijken of zelfs onhaalbaar maken. Ook blijkt uit de klinische praktijk dat patiënten met SSRD hun klachten cognitief weten te kaderen, maar gevoelsmatig (en lichamelijk) weinig samenhang ervaren tussen hun cognities, gedrag, lichaam en lichamelijke klachten.

Cognitieve Revalidatie Therapie (CRT) wordt ingezet voor cognitieve problematiek en heeft tot doel de patiënt strategieën aan te leren om met de cognitieve problemen om te gaan. Psychomotorische Therapie (PMT) is een ervarings- en handelingsgerichte therapie die in combinatie met CGT cliënten kan helpen om weer plezier te beleven aan hun lijf, minder last te hebben van beperkingen en de functionaliteit te verbeteren (Probst, 2017).  In onze derdelijns instelling wordt CRT ingezet als pre-therapie welke de patiënt “klaar stoomt” voor de eigenlijke therapie; een combinatie van cognitieve gedragstherapie en psychomotore therapie gebaseerd op het gevolgenmodel.

Tijdens de workshop wordt allereerst uitgelegd wat CRT inhoudt en hoe cognitieve problematiek de verdere behandeling negatief kan beïnvloeden. Van de deelnemers wordt gevraagd een cliënt in gedachten te nemen met cognitieve problematiek in combinatie met (andere) psychische of SOLK problematiek. Vervolgens maken de deelnemers in een rollenspel kennis met CRT oefeningen. Bovendien ervaren ze dan ook ‘aan den lijve’ hoe de samenhang tussen lichaam en geest verhelderd en beïnvloed kan worden d.m.v. gedragsexperimenten welke ingekaderd zijn in en aangevuld worden met PMT-oefeningen.

Aan het einde van deze workshop weten deelnemers wat CRT is en hoe dit kan worden ingezet als pre-therapie.

Ook hebben de deelnemers ervaring opgedaan met PMT (oefeningen) die ingezet kunnen worden om CGT-behandelingen aan te vullen bij moeilijk veranderbare (lichamelijke) problematiek.

Gegevens workshopleiders:

Dr. Lars de Vroege; GZ-psycholoog/Neuropsycholoog en senior onderzoeker, Topklinisch Centrum lichaam geest en gezondheid, Ggz Breburg, Tilburg & Academische werkplats Geestdrift, Tilburg university

Dr. Gabriela Sempertegui Vallejo; GZ-psycholoog en senior onderzoeker,  Topklinisch Centrum lichaam geest en gezondheid, Ggz Breburg, Tilburg

Drs. Marjon Witmer; Psychomotore therapeut, Topklinisch Centrum lichaam geest en gezondheid, Ggz Breburg, Tilburg


Relevante literatuur:

  1. De Vroege, L., Timmermans, A., Kop, W. J., & Van der Feltz-Cornelis, C. M. (2018). Neurocognitive dysfunctioning and the impact of comorbid depression and anxiety in patients with somatic symptom and related disorders: a cross-sectional clinical study. Psychological Medicine, 48(11), 1803-1813. https://doi.org/10.1017/S0033291717003300
  2. Probst, M. (2017GS1 ). ‘Psychomotor Therapy for patients with severe mental health disorders’. In: M. Huri (ed.), Occupational Therapy, occupation focused holistic practice in rehabilitation (pp. 25-48) Rijeka: Intechopen, doi: 10.5772/intechopen.68315.

13:45

Workshop 2.4: (Groeps) Schema Focused Therapy bij SOLK

Michel Reinders en Vanessa van Buuren

Thema: behandeling

Bepaalde persoonlijkheidskenmerken zijn behulpzaam in de omgang met lichamelijke klachten. Andere kenmerken van de persoon maken het juist moeilijker. Uit onderzoek blijkt dat patiënten met somatoforme stoornissen (DSM-IV) hoog scoren op bepaalde kenmerken zoals zelfopoffering, strenge normen en kwetsbaarheid voor ziekte en gevaar (Henker et al., 2019; Davoodi et al., 2018).

In ons derdelijns centrum voor patiënten met ernstige SOLK en somatische symptoom stoornis (DMS-5) zien we regelmatig patiënten die goed gefunctioneerd hebben tot het moment dat zij fysieke problemen krijgen. Het lijkt er op dat deze fysieke tegenslag vraagt om bepaalde karaktereigenschappen zoals optimisme of gelatenheid die zij niet of onvoldoende bezitten. Als deze ontbreken kan dit het voor de patiënt moeilijk maken om goed met de klachten om te gaan. In de behandeling richten wij ons op het beter leren omgaan met de fysieke tegenslag. In onze aanpak staat de ‘coping’ met klachten dan ook centraal (Visser en Reinders, 2014; Zorgstandaard SOLK). Kernwoorden daarbij zijn accepteren en aanpassen.

Persoonlijkheidskenmerken kunnen worden beïnvloed met Schema Focused Therapy (SFT) (Stoffers et al, 2012). Er is het nodige onderzoek gedaan naar de effectiviteit van SFT en SFT is één van de aanbevolen behandelingen voor persoonlijkheidsstoornissen (Zorgstandaard Persoonlijkheidsstoornissen). Tot op heden is er echter nog geen onderzoek gedaan naar de effectiviteit van de  behandeling met SFT bij patiënten met een somatische symptoom stoornis. In ons centrum zijn we gestart met onderzoek naar het effect van SFT in groepsverband bij deze groep patiënten.

In onze workshop gaan we in op de toepassing van SFT bij patiënten met een somatische symptoom stoornis. We delen onze eerste klinische indrukken en illustreren de behandeling aan de hand van een casus. Daarnaast zullen we ook onze gedachten laten gaan over de vraag hoe het kan dat veel mensen die zich melden voor behandeling voor aanvang van hun fysieke klachten redelijk goed leken te functioneren.


Gegevens workshopleiders

M. Reinders, klinisch psycholoog werkzaam bij Expertise Centrum Psychosomatiek GGZinGeest te Amstelveen.

V. van Buuren, GIOS, werkzaam bij Expertise Centrum Psychosomatiek GGZinGeest te Amstelveen.


Literatuur:

  1. Boom van der J., & Houtveen, J.H. (2014) Psychiatrische comorbiditeit bij ernstige somatoforme stoornissen in de derde lijn.  Tijdschrift voor Psychiatrie, 743-747.
  2. Davoodi, E., Wen, A., Dobson, K., Noorbala, A., Mohammadi, A. & Farahmand, Z. (2018). Early maladaptive schemas in depression and somatization disorder J Affect Disord 1;235:82-89.
  3. Henker, J., Keller, A., Reiss, N., Siepmann, M., Croy, I. & Weidner, K., (2019). Early maladaptive schemas in patients with somatoform disorders and somatization, Clin Psychol Psychother, Jul;26(4):418-429.
  4. Stoffers, J.M., Völlm, B.A., Rücker,  G., Timmer, A., Huband, N. & Lieb, K. (2012) Psychological therapies for people with borderline personality disorder. Cochrane Database Syst Rev . 2012 Aug 15;2012(8):CD005652.
  5. doi: 10.1002/14651858.CD005652.pub2.
  6. Visser, S. & Reinders, M. (2015) Cognitieve therapie bij somatisatie, Bohn  Stafleu Van Loghum, Houten.
  7. Zorgstandaard Persoonlijkheidsstoornissen, https://www.ggzstandaarden.nl/zorgstandaarden/persoonlijkheidsstoornissen
  8. Zorgstandaard SOLK, https://www.ggzstandaarden.nl/zorgstandaarden/somatisch-onvoldoende-verklaarde-lichamelijke-klachten-solk/inleiding-zorgstandaard-solk/zorgstandaard-generieke-module-richtlijn/zorgstandaard-solk

13:45

Workshop 2.5: “Hou je staande”, een kortdurende PNEA-behandeling, inclusief een e-learning module

Franny Moene en Kris Neiryinck

Thema: conversie

Deze workshop gaat over de behandeling van (jong)volwassenen die last hebben psychologische- niet epileptische aanvallen (PNEA), vallend onder de functioneel neurologische symptoomstoornis (FNS) of conversiestoornis. PNEA-cliënten zijn een moeilijke en maatschappelijk kostbare cliëntengroep. Ze doen vaak een beroep op de gezondheidszorg, worden relatief vaak opgenomen en gebruiken meer medicatie dan cliënten met epilepsie.

Aanleiding voor deze workshop is de onlangs verschenen behandelmodule ‘Hou je Staande’. Het doel van de module is de cliënt handvatten te geven en vaardigheden aan te leren om grip te krijgen op de aanvallen en deze te reduceren. Daarbij is het aanvalsvrij zijn na behandeling de belangrijkste predictor voor verbetering van het psychologisch en sociaal maatschappelijk functioneren.

De module bestaat uit tien zittingen en kan zowel individueel als in groep aangeboden worden.

De module bestrijkt onder anderen een goede uitleg en psycho educatie, een methode voor het aanleren van zelfcontrole (o.a. door toepassing van hypnose oefeningen), het in kaart brengen van ‘triggers’, het leren spanning te verminderen, omgaan met stress en ‘negatieve’ emoties, en het leren omgaan met reacties van de omgeving op aanvallen.

Tijdens het eerste deel van de workshop zullen de verschillende onderdelen van de module besproken worden waarbij de deelnemers interactief betrokken worden door discussie, demonstratie- of het zelf ervaren van enkele in de module beschreven oefeningen. In het tweede deel wordt een film vertoond van een jongvolwassene met PNEA die de methodieken uit de behandelmodule succesvol heeft toegepast. Ook wordt er ingegaan op de voorafgaande lange zoektocht naar een juiste diagnose en een geschikte behandeling, en de impact van de PNEA aanvallen op cliënte en haar systeem. De behandelaar uit de film is bij de workshop aanwezig om op vragen in te gaan.

Na deelname aan de workshop hebben deelnemers meer kennis en inzicht opgedaan in de behandeling van deze cliëntengroep en kunnen zij hen met meer bagage behandelen.

Relevante Literatuur

  1. Gasparini, S., Berghi, E., Ferlazzo, E., Belcastro, V., Biermann, K.P. e.a. (2019). Management of psychogenic non-epileptic seizures: a multidisciplinary approach. European journal of neurology, volume 26, issue 2, pp.205-e15.
  2. Goldstein, L.H., Robinson, E.J., Mellers, J.D.C., Stone, J., Carson, A., Reuber, M., Medford, N., Mc Crone, P., Murray, J., Richardson, M.P., Pilecka, I., Eastwoord, C., Moore, M., Mosweu, I., Perdue, I., Landau, S., Chalder, T. Cognitive -Behavioural therapy for adults with dissociative seizures (CODES): a pragmatic, multicentre, randomised controlled trial. www.thelancet.com/psychiatry, vol 7 June 2020, pg.491-505.
  3. Moene, F.C. & Kuyk, J. Hypnosis in the treatment of psychogenic nonepileptic seizures. In: Gates and Rowan, eds. Nonepileptic Seizures, Chapter 35, pg. 297-307. Cambridge University Press, Cambridge, 2010.

Gegevens workshopleiders:

Dr. Franny C. Moene is klinisch psycholoog/psychotherapeut, niet praktiserend. Na haar pensionering geeft zij tot op heden workshops, lezingen en supervisie over de behandeling van de conversiestoornis (FNS) en hypnose in brede zin. Ze is gepromoveerd op de behandeling van de conversiestoornis met hypnose en heeft uitgebreid gepubliceerd over de behandeling ervan.

Drs. Kris Neirynck is klinisch psycholoog/psychotherapeut. Zij heeft zowel het zorgprogramma SOLK geschreven als de SOLK-poli opgericht van het centrum voor Ziekenhuispsychiatrie en Ouderen van de RVA-groep, gelokaliseerd in het JBZ-ziekenhuis te ‘s Hertogenbosch.

13:45

Workshop 2.6: Het bouwen van regionale multidisciplinaire netwerken SOLK

Elisabeth Floor en Rudie van den Berg

Thema: organisatie

Inleiding:
De Regionale ondersteuningsstructuur (ROS) Proscoop signaleert in verschillende regio’s een toenemende behoefte aan informatie en onderlinge afstemming op gebied van SOLK. Bijeenkomsten en webinars worden goed bezocht en diverse netwerken rond SOLK worden opgericht. ROS’en realiseren samen met professionals, organisaties en netwerken, een gezondere wijk, gemeente of regio. Daarbij staat de mens steeds centraal met als ultiem doel: een betere gezondheid voor alle inwoners. Gezondheid zien de ROS’en  breed: het gaat om vitaliteit, zinvol in het leven staan en mee kunnen doen in de maatschappij. ROS’en als Proscoop kunnen begeleiding bieden bij de oprichting van dit soort multidisciplinaire, domeinoverstijgende netwerken.

Binnen het adherentiegebied van de ziekenhuizen van Treant, Emmen, Hoogeveen, Stadskanaal (300.000 inwoners), lopen verschillende  initiatieven rond SOLK. De zorg voor SOLK patiënten is echter vaak versnipperd en wisselt sterk van kwaliteit waardoor veel SOLK patiënten nog geen adequate behandeling krijgen. Hiervoor is effectieve samenwerking tussen het voorliggend veld, eerste- en tweede lijn noodzakelijk zodat de juiste zorg op de juiste plek wordt gegeven die aansluit bij de behoefte van de patiënt.

Vanaf 2019 zijn twee multidisciplinaire, domeinoverstijgende netwerken opgericht met als doel: verbetering van de kwaliteit van zorg aan patiënten met SOLK-problematiek in de Treant-regio door tijdig te signaleren, een juiste “diagnose” te stellen, eenduidig te communiceren naar patiënten, een adequate (multidisciplinaire) behandeling te geven en de afstemming en samenwerking tussen de professionals te verbeteren.  Bij de organisatie van netwerken worden een aantal componenten meegenomen: goed bestuur, burger (patiënt) centraal, data en monitoring, financiering en mogelijkheden voor digitale zorg.

Naast het netwerk SOLK Treant is in 2020 een netwerk van psychosomatisch oefen- en fysiotherapeuten in Noord Nederland (Netwerk-PST NNL) opgericht zodat huisartsen en specialisten weten naar wie ze o.a. kunnen verwijzen in de 1e lijn.

Workshop:
In deze interactieve workshop krijgen de deelnemers inzicht wat er nodig is om een goed functionerend netwerk te organiseren en wordt nader ingegaan welke stappen gezet kunnen worden. Welke componenten zijn nodig om de samenwerking op te bouwen en te borgen? Wat zijn succes- en faalfactoren? Hoe zorg je voor een doorlopende lijn van nulde, naar 1e en 2e lijn?

Na een plenaire inleiding zal in subgroepen worden gewerkt, waarbij deelnemers zelf ervaren hoe een netwerk gebouwd kan worden.

Na de workshop heeft u een inspirerend voorbeeld van een SOLK netwerk gekregen, weet u welke stappen gezet kunnen worden om tot een succesvol netwerk te komen, kent u succes en faalfactoren voor een succesvol netwerk  en heeft u inzicht in de attitude t.a.v. SOLK bij huisartsen en specialisten.

Workshopleiders/sprekers

Workshopleiders: Elisabeth Floor, adviseur bij Proscoop, projectleider regiegroep SOLK Treant, adviseur bij de opzet van het netwerk Psychosomatiek Noord Nederland. en Rudie van den Berg, adviseur bij Proscoop.

Twee betrokkenen bij het netwerk SOLK Treant en Netwerk PST- NNL vertellen vanuit hun eigen ervaring over participatie en activiteiten in het netwerk en wat hen dit oplevert.

Relevante literatuur

  1. Caluwe de, M. (2019), Bronnen van verbinding; aanknopingspunten voor het mobiliseren van actoren in opgave gerichte netwerken. Management Impact, Common Eye
  2. Caluwe de, M. (2019),Netwerkleiderschap: werk maken van een gedeelde verantwoordelijkheid. Common Eye
  3. Common Eye, (2021), Regionale netwerken voor zorg en welzijn, Whitepaper Common Eye
  4. Opheij, W (2019), Duurzame netwerken in de maak. Zorgvisie, feb 2019, 30-33
  5. Valentijn, P (2019), Zorgnetwerken die werken: De sleutel tot betere uitkomsten, Essenburgh Training & Advies
  6. Willems, N (2018), Organiseren in en met netwerken, Nederland, Vak Medianet Management B.V.

13:45

Workshop 2.7: Maken woorden het verschil? Communicatie als interventie bij patiënten met aanhoudende lichamelijke klachten

Inge Stortenbeker en Jessica Oudenampsen

Thema: taal

Communicatie tussen behandelaar en patiënt vormt een belangrijk onderdeel van de behandeling van aanhoudende lichamelijke klachten. Veel onderwijs en onderzoek over de behandeling van aanhoudende lichamelijke klachten is dan ook gericht op de communicatie met de patiënt. Echter, vaak zijn onderzoek en trainingen gericht op wat behandelaren zeggen, maar niet hoe ze dat kunnen doen. Als een arts tijdens lichamelijk onderzoek zegt “Ik hoor geen gekke dingen” of “Het klinkt netjes” geeft hij of zij praktisch dezelfde boodschap mee aan een patiënt. Toch zijn de woorden van de boodschap anders. Onderzoek toont aan dat dit soort subtiele talige verschillen van invloed kunnen zijn op patiënten met aanhoudende lichamelijke klachten.

Tijdens de workshop zal de deelnemer kennismaken met een linguïstische analyse van behandelaar-patiëntinteracties over aanhoudende lichamelijke klachten. We staan op interactieve wijze stil bij het placebo-effect van communicatie, en we behandelen hoe dit ingezet kan worden in de dagelijkse praktijk. Subtiele talige variaties zoals het gebruik van ontkenningen, of winst- en verliesframes komen daarbij aan bod. Tevens gaat de deelnemer zelf aan de slag in een datasessie, waarbij een kort videofragment van een natuurlijk consult op micro-niveau wordt geanalyseerd. Door gezamenlijk een fragment van een consult te analyseren, krijgt de deelnemer inzicht in wat gespreksdeelnemers doen tijdens een gesprek, en hoe soms op het oog bijna onzichtbare variaties een groot verschil kunnen maken voor patiënten.

De workshop geeft geen do’s en dont’s voor (al dan niet) effectief taalgebruik, maar zorgt voor bewustwording over talige variaties. Het geeft de deelnemer handvaten om subtiele talige variaties te herkennen in eigen gesprekken, en naar eigen inzicht in te zetten in de dagelijkse praktijk. De workshop is bedoeld voor zowel behandelaren als onderzoekers die direct contact hebben met patiënten met aanhoudende lichamelijke klachten.

Workshopleiders:

Inge Stortenbeker is promovendus bij het Centre for Language Studies, Radboud Universiteit en de afdeling Eerstelijnsgeneeskunde, Radboudumc.

Jessica Oudenampsen is promovendus bij Hematologie/ Eerstelijnsgeneeskunde, Radboudumc en het Centre for Language studies, Radboud Universiteit. Tevens ANIOS bedrijfsgeneeskunde, Bedrijfspoli Nijmegen.

Relevante literatuur:

  1. Stortenbeker, I., Stommel, W., van Dulmen, S., Lucassen, P., Das, E., & olde Hartman, T. (2020). Linguistic and interactional aspects that characterize consultations about medically unexplained symptoms: A systematic review. Journal of psychosomatic research, 132, 109994.

13:45

Symposium 2.8: Pijn

Iris Coppieters, Anneleen Malfliet en Emma Rheel

Thema: onderzoek

Pijn in Motion – de rol van het brein bij chronische pijn
Iris Coppieters

De hersenen spelen een cruciale rol bij het ervaren en verwerken van pijn maar ook bij het chronisch worden van pijn. Bij patiënten met chronische pijn (bijvoorbeeld spinale pijn en fibromyalgie) werden structurele en functionele veranderingen in de hersenen vastgesteld met behulp van hersenbeeldvorming (Coppieters et al., 2018; Martucci & Mackey, 2018). Er werden eveneens relaties gevonden tussen deze hersenveranderingen en klinische variabelen zoals pijnintensiteit, wijdverspreide pijn, pijncatastroferen en bewegingsangst (Coppieters et al., 2016; Malfliet et al., 2017). Bovendien leert onderzoek ons dat ook leefstijlfactoren zoals stress en slaapproblemen een invloed kunnen hebben op het centrale zenuwstelsel bij personen met chronische pijn.

De laatste jaren is de wetenschappelijke evidentie toegenomen die aantoont dat conservatieve therapieën zoals oefentherapie, cognitieve gedragstherapie en stressmanagement, hersenenveranderingen bij patiënten met chronisch pijn positief kunnen beïnvloeden (Kregel et al., 2017; Timmers et al., 2019). Recent onderzochten we de invloed van pijneducatie gevolgd door cognitie-gerichte oefentherapie op de hersenen in relatie met klinische verbetering bij patiënten met chronische spinale pijn.

Inhoud presentatie:
Eerst verdiepen we ons in de huidige wetenschappelijke inzichten over hersenveranderingen bij patiënten met chronische pijn en de relatie met pijn, disfunctie, leefstijl- en psychosociale factoren. Vervolgens zal de rol van het brein in de transitie van acute naar chronische pijn worden toegelicht. Daarna bespreken we de huidige evidentie betreffende neuroplasticiteit en de mogelijkheden om met conservatieve behandelingen zoals educatie en oefentherapie, stressmanagement en cognitieve gedragstherapie het brein van patiënten met chronische pijn te veranderen en we bekijken of deze veranderingen geassocieerd zijn met een klinische verbetering. We sluiten de presentatie af met het toelichten van de klinische relevantie van deze inzichten voor zorgverleners.

Literatuur

Coppieters, I., De Pauw, R., Caeyenberghs, K., Lenoir, D., DeBlaere, K., Genbrugge, E., Meeus, M., & Cagnie, B. (2018). Differences in white matter structure and cortical thickness between patients with traumatic and idiopathic chronic neck pain: Associations with cognition and pain modulation? Hum Brain Mapp, 39(4), 1721-1742. doi:10.1002/hbm.23947

Martucci, K. T., & Mackey, S. C. (2018). Neuroimaging of Pain: Human Evidence and Clinical Relevance of Central Nervous System Processes and Modulation. Anesthesiology, 128(6), 1241-1254.

Coppieters, I., Meeus, M., Kregel, J., Caeyenberghs, K., De Pauw, R., Goubert, D., & Cagnie, B. (2016). Relations Between Brain Alterations and Clinical Pain Measures in Chronic Musculoskeletal Pain: A Systematic Review. J Pain, 17(9), 949-962. doi:10.1016/j.jpain.2016.04.005

Malfliet, A., Coppieters, I., Van Wilgen, P., Kregel, J., De Pauw, R., Dolphens, M., & Ickmans, K. (2017). Brain changes associated with cognitive and emotional factors in chronic pain: A systematic review. Eur J Pain, 21(5), 769-786. doi:10.1002/ejp.1003

Kregel, J., Coppieters, I., DePauw, R., Malfliet, A., Danneels, L., Nijs, J., Cagnie, B., & Meeus, M. (2017). Does Conservative Treatment Change the Brain in Patients with Chronic Musculoskeletal Pain? A Systematic Review. Pain Physician, 20(3), 139-154.

Timmers, I., de Jong, J. R., Goossens, M., Verbunt, J. A., Smeets, R. J., & Kaas, A. L. (2019). Exposure in vivo Induced Changes in Neural Circuitry for Pain-Related Fear: A Longitudinal fMRI Study in Chronic Low Back Pain. Front Neurosci, 13, 970. doi:10.3389/fnins.2019.00970

Pijn in Motion Nutrition – leefstijl bij chronische pijn: de rol van voeding en overgewicht
Anneleen Malfliet

Chronische pijn is een vaak voorkomend probleem, dat gekenmerkt wordt door een grote persoonlijke en maatschappelijke impact (Vos et al., 2016). Zo zien we dat chronische pijn regelmatig gepaard gaat met langdurig ziekteverzuim, een lage levenskwaliteit en zeer hoge socio-economische kosten (Gezondheidsenquête 2013). De huidige conservatieve en farmacologische behandelingen voor chronische pijn schieten vaak tekort: de behaalde effecten zijn klein of blijven slechts op korte termijn behouden (Malfliet et al., 2019). Hoewel vele inspanningen geleverd worden om de aanpak voor chronische pijn te verbeteren, blijft de integratie van leefstijlfactoren binnen therapie eerder beperkt.

Nochtans toont de literatuur een duidelijk verband tussen chronische pijn en allerlei leefstijlfactoren, zoals stress, slaap, beweeggedrag of fysieke activiteit en ook voeding en overgewicht (Nijs, D’Hondt, et al., 2020). In deze presentatie gaan we dieper in op dit laatste en zullen de deelnemers bijgeschoold worden over de huidige stand van zaken wat betreft de invloed van voeding en gewicht op chronische pijn. Deze presentatie zal bestaan uit drie delen. Eerst krijgt met een kort overzicht van de huidige literatuur (Elma, Yilmaz, Deliens, Clarys, et al., 2020; Elma, Yilmaz, et al., 2020a, 2020b; Nijs et al., 2019; Nijs, Tumkaya Yilmaz, et al., 2020). Daarna bespreken we een aantal meetmethodes met een focus zowel op lichaamsgewicht als op de kwaliteit van het dieet. We sluiten de presentatie af met de belangrijkste tips die men kan meegeven aan de patiënt op basis van de huidige literatuur, alsook met een aantal voorbeelden om een voedingsinterventie te integreren in de klinische praktijk.

Relevante Literatuur

  1. Elma et al. (2020). Chronic Musculoskeletal Pain and Nutrition: Where Are We and Where Are We Heading? Pm r, 12(12), 1268-1278. doi:10.1002/pmrj.12346
  2. Elma et al. (2020a). Do Nutritional Factors Interact with Chronic Musculoskeletal Pain? A Systematic Review. J Clin Med, 9(3). doi:10.3390/jcm9030702
  3. Elma et al. (2020b). Nutritional factors in chronic musculoskeletal pain: unravelling the underlying mechanisms. Br J Anaesth, 125(2), e231-e233. doi:10.1016/j.bja.2020.03.024
  4. Gezondheidsenquête 2013. Rapport 1: Gezondheid en welzijn. Samenvatting van de onderzoeksresultaten. (2013).
  5. Malfliet et al. (2019). Best Evidence Rehabilitation for Chronic Pain Part 3: Low Back Pain. J Clin Med, 8(7). doi:10.3390/jcm8071063
  6. Nijs et al. (2020). Lifestyle and Chronic Pain across the Lifespan: An Inconvenient Truth? Pm r, 12(4), 410-419. doi:10.1002/pmrj.12244
  7. Nijs et al. (2019). Nutritional neurobiology and central nervous system sensitisation: missing link in a comprehensive treatment for chronic pain? Br J Anaesth, 123(5), 539-543. doi:10.1016/j.bja.2019.07.016
  8. Nijs et al. (2020). Nutritional intervention in chronic pain: an innovative way of targeting central nervous system sensitization? Expert Opin Ther Targets, 24(8), 793-803. doi:10.1080/14728222.2020.1784142
  9. Vos et al. (2016). Global, regional, and national incidence, prevalence, and years lived with disability for 310 diseases and injuries: a systematic analysis for the Global Burden of Disease Study 2015. The Lancet, 388(10053), 1545-1602. doi:10.1016/S0140-6736(16)31678-6

Pijn in Motion kids
Emma Rheel

Chronische pijn bij kinderen en adolescenten is een veel voorkomend probleem, waarbij epidemiologische gegevens erop wijzen dat ongeveer 30% van de kinderen pijn ervaart die 3 maanden of langer aanhoudt (King et al., 2011; Huguet et al., 2008). De meest voorkomende pijnklachten bij kinderen zijn hoofdpijn, buikpijn en musculoskeletale pijn (King et al., 2011). Deze chronische pijnklachten hebben belangrijke negatieve effecten op het schools, sociaal, recreatief en familiaal functioneren (Palermo et al., 2000; Pas et al., 2019). Aangezien adequate behandeling voor kinderen met aanhoudende pijn en hun ouders niet altijd gemakkelijk beschikbaar is, betekent dit vaak een lange reis van de ene zorgverlener naar de andere, vele onderzoeken en soms frequent en langdurig gebruik van pijnmedicatie.

Gezien het belang van patiëntgerichte gezondheidszorg, inclusief gedeelde besluitvorming, is het noodzakelijk dat kinesitherapeuten (NL: fysiotherapeuten) patiënten en hun familie zinvolle, hoogwaardige informatie en educatie kunnen bieden. Daarom is het aanbieden van een correcte, wetenschappelijk onderbouwde en eigentijdse verklaring voor aanhoudende pijn aan een kind met chronische pijn en zijn ouders/familieleden een cruciale, maar vaak vergeten eerste stap om hen voor te bereiden op volgende biopsychosociale behandelonderdelen. Daarom hebben wij een pijneducatieprogramma ontwikkeld voor kinderen en hun ouders (PNE4Kids) (Pas et al., 2018), dat reeds mooie resultaten aantoont in enkele studies die sindsdien zijn uitgevoerd (bv. Pas et al., 2020 en Rheel et al., 2021 (in progress)). Om bij aanvang van de behandeling of tussentijds de kennis en eventuele tekorten/misconcepties van het kind over pijn in kaart te brengen kan gebruik gemaakt worden The Concept of Pain Inventory (Pate et al. 2020). Aangezien kinderen met chronische pijn vaak aanzienlijke beperkingen ondervinden bij het dagelijks functioneren, wat bijdraagt aan een lagere levenskwaliteit, minder fysieke fitheid en uiteindelijk meer pijn (Gold et al., 2009), wordt pijneducatie doorgaans gevolgd door actieve, functiegerichte revalidatie.

Inhoud presentatie:

  • Laatste inzichten chronische pijn bij kinderen
  • Introductie PNE4Kids
  • Introductie Concept of Pain Inventory (COPI)

Literatuur

King, S., Chambers, C. T., Huguet, A., MacNevin, R. C., McGrath, P. J., Parker, L., & MacDonald, A. J. (2011). The epidemiology of chronic pain in children and adolescents revisited: a systematic review. Pain, 152(12), 2729–2738.

Huguet, A., & Miró, J. (2008). The severity of chronic pediatric pain: an epidemiological study. The journal of pain, 9(3), 226–236.

Palermo T. M. (2000). Impact of recurrent and chronic pain on child and family daily functioning: a critical review of the literature. Journal of developmental and behavioral pediatrics : JDBP, 21(1), 58–69.

Pas, R., Rheel, E., Van Oosterwijck, S., Leysen, L., Van De Vijver, E., Nijs, J., Ickmans, K., & Meeus, M. (2019). Endogenous pain modulation in children with functional abdominal pain disorders. Pain, 160(8), 1883–1890.

Pas, R., Meeus, M., Malfliet, A., Baert, I., Oosterwijck, S. V., Leysen, L., Nijs, J., & Ickmans, K. (2018). Development and feasibility testing of a Pain Neuroscience Education program for children with chronic pain: treatment protocol. Brazilian journal of physical therapy, 22(3), 248–253.

Pas, R., Rheel, E., Van Oosterwijck, S., Foubert, A., De Pauw, R., Leysen, L., Roete, A., Nijs, J., Meeus, M., & Ickmans, K. (2020). Pain Neuroscience Education for Children with Functional Abdominal Pain Disorders: A Randomized Comparative Pilot Study. Journal of clinical medicine, 9(6), 1797

Pate, J. W., Simons, L. E., Hancock, M. J., Hush, J. M., Noblet, T., Pounder, M., & Pacey, V. (2020). The Concept of Pain Inventory (COPI): Assessing a Child’s Concept of Pain. The Clinical journal of pain, 36(12), 940–949.

Gold, J. I., Yetwin, A. K., Mahrer, N. E., Carson, M. C., Griffin, A. T., Palmer, S. N., & Joseph, M. H. (2009). Pediatric chronic pain and health-related quality of life. Journal of pediatric nursing, 24(2), 141–150.

15:15

Pauze

Gelegenheid tot digitaal bekijken van de posters en netwerken

15:45

Uitreiking NOLK-prijs, proefschriftprijs en posterprijs

Keynote 2 (parallel)

16:00

Keynote 2.1: We need to talk about symptoms

Chris Burton

When we talk with patients we can do this in two languages: the language of experience – what it feels like to be a person with the condition – and in the language of medical science. When we think in terms of “medically unexplained symptoms” we effectively abandon the language of medical science and in doing so, we also diminish the patient’s voice of experience. In this keynote I will look at whether recent medical science can provide us with “good enough” knowledge to explain symptoms, and how we can use that to co-construct explanations which are useful for patients. I will argue that these explanations allow us to talk about symptoms in the two languages of experience and science at the same time.

CHRIS BURTON is a GP and professor of primary medical care at the University of Sheffield, UK. His clinical and research interests focus on the challenge of understanding persistent physical symptoms and he currently leads a large multi-centre trial of extended GP consultations. Throughout his career Chris has worked as a GP in relatively deprived communities; this has confirmed for him the importance of the GP as both interpreter of complex illness and as patient advocate.

16:00

Keynote 2.2: Hoe kennis over placebo- en nocebo-effecten kan bijdragen aan een betere gezondheidszorg

Andrea Evers

Van veel reguliere behandelingen weten we niet wat de werkzame ingrediënten zijn. Zo kan het effect van een placebopil even groot zijn als bijvoorbeeld een antidepressivum of een pijnstiller.  De effecten van veel behandelingen in de gezondheidszorg worden dan ook voor een deel verklaard door andere factoren dan het middel of de behandeling zelf. Voorbeelden voor deze factoren zijn het vertrouwen dat de behandelaar uitstraalt, de verwachting die iemand ten aanzien van een behandeling heeft en eerdere ervaringen die iemand heeft met behandelingen. Al deze factoren kunnen invloed hebben op behandeluitkomsten. Met deze bevindingen wordt in de reguliere gezondheidszorg echter nog nauwelijks rekening gehouden. Dit terwijl we met behulp van deze kennis de behandelingen zouden kunnen optimaliseren en tegelijkertijd mogelijke nadelige gevolgen van behandelingen (zoals risico’s of bijwerkingen) zouden kunnen verminderen. Mensen vragen ook in toenemende mate om een actieve deelname in de beslissingen over hun behandelingen en willen hier zo veel mogelijk zelf aan bijdragen. Ook hier wordt momenteel nog nauwelijks gebruik van gemaakt, terwijl de zorgkosten en de zorgvraag toenemen. In deze lezing zal de rol van deze factoren voor gezondheid en ziekte, zoals die bij het placebo effect een rol spelen, worden behandeld. Hierbij zal ook vooral aandacht worden besteed aan de mogelijkheid om via psychologische processen direct lichamelijke processen, zoals het immuunsysteem, te beïnvloeden. Tevens wordt een inkijk gegeven welke innovatieve behandelingen hiervoor momenteel ontwikkeld worden. Hiermee kan deze kennis worden vertaald  naar toepassingen voor de reguliere gezondheidszorg.

Klik hier voor meer informatie.

ANDREA EVERS is hoogleraar gezondheidspsychologie aan de Universiteit Leiden en als Medical Delta hoogleraar tevens verbonden aan de TU Delft en Erasmus Universiteit Rotterdam. Ze promoveerde in 2003 aan de Radboud Universiteit (cum laude). In 2011 werd ze benoemd als hoogleraar psychobiologie van somatische aandoeningen aan de Radboud Universiteit en in 2013 werd ze hoogleraar gezondheidspsychologie aan de Universiteit Leiden. Ze ontving verschillende prestigieuze onderzoekssubsidies van de Nederlandse vereniging voor wetenschappelijk onderzoek NWO (bijv. Veni, Vidi, Vici) en de Europese Research Council (bijv. ERC Consolidator Grant). Ze is tevens als klinisch psycholoog BIG en cognitief gedagstherapeut (VGCT) werkzaam in het Leids Universitair Behandelcentrum (LUBEC). In 2019 werd ze gekozen als lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en ontving ze de Stevinpremie, de hoogste erkenning in Nederland voor wetenschappelijk onderzoek met maatschappelijke impact.

Plenaire afsluiting

16:55

Afsluiting

Aldo Houterman, dagvoorzitter